Erfelijkheid
Een lichaam is opgebouwd uit cellen, de bouwstenen van het lichaam. Een orgaan, huid, hart, nieren etc bestaan uit een klop cellen met een bepaalde eigenschap of functie.
Een cel kan een verschillende vormen hebben zoals rond en vierkant. De buitenkant bestaat uit de celwand en in de cel bevind zich protoplasma met daarin de kern. De kern wordt omsloten door de kernwand en in de kern zit kernplasma. Protoplasma en kernplasma is een soort vocht. In de cel bevinden zich oa celorganellen, een soort fabriekjes met verschillende taken en in verschillende hoeveelheden.
De cellen groeien en kunnen zichzelf delen (cel deling) Door celdeling vind er celvermeerdering plaats waardoor er groei is. Celvermeerdering vindt plaats door de deling van de celkern en de cel. Van 1 cel zijn er 2 gemaakt die door groeien uit tot een volledige cel met nieuwe celkernen, dit delen gaat steeds door.
In de celkern bevind zich ook de chromosomen. Een chromsoom bestaat uit 2 kernstaafjes en bij deling van de cel gaan deze uit elkaar waarna 1 enkel chromosoom zich weer deelt in de nieuwe kern en cel. Alle cellen bevatten het zelfde aantal chromosomen, altijd even en het aantal is afhankelijk per dier (konijn 24) Een nieuw dier wordt gevormd door een geslachtscel (gamete). Een jong dier krijgt 1 geslachtscel van moeder en 1 van vader. Deze 2 smelten samen bij de bevruchting tot 1 nieuwe cel waaruit het nieuwe dier ontstaat. Man XY en vrouw XX. Een nieuw dier krijgt dus altijd een x chromosoom van moeder en een Y of X chromosoom van vader. 50 % kans op een man of vrouw als deze geslachts chromosomen samen komen.
In het geval van een konijn gaat bij de samenstelting krijgt een nieuw konijn 12 chromosomen van vader en 12 van de moeder waarna het nieuwe dier weer 24 chromosomen heeft.
Op de chromosomen liggen de genen. Een eiwit achtige stof die de dragers van de erfelijke eigenschappen van het dier bevatten. Een nieuw dier krijgt bij zijn ontstaan dus de helf van de genen van moeder en de andere helft van vader.
Genotype: is de is de erfelijke eigenschap als het waren beshreven op de genen.
Fenotype: betekend wat je aan de buitenkant van een dier kan zien. Kan anders zijn dan wat er op de genen staat beschreven bv door invloeden van buitenaf, haren verven, verwondingen, slechte conditie etc.
Een zygote is de naam voor een wezen ontstaan uit de samensmelting van een zaad en een eicel. Een konijn krijgt een eigenschap mee van vader en moeder. Het ene eigenschap is sterker of dominanter dan een de andere recessieve eigenschap, bv zwart haar over wit haar.
Bij heterozygoot zijn beide eigenschappen beschreven alleen is er een dominant gen sterker dan de andere waardoor de dominante aan de buitenkant te zien is (onzuiver). Bij homozygote is het dier zuiver omdat er voor de eigenschap van beide ouders de zelfde kenmerken zijn meegegeven.
Genen wordt aangegeven dmv letters. Een dominant gen krijgt altijd een hoofdletter en een recessief gen altijd een kleine letter.
Homozygoot dus AA (dominant) of aa (recessief) en heterozygoot dus Aa.
Dominant is dus sterker en recessief is zwakker.
Een voorbeeld:
We paren een witte voedster (aa) met een zwarte zuivere ram (AA)
De gamellen (geslachtscellen) halen we uit elkaar omdat de nieuwe dieren 1 gen van iedere ouder krijgt en niet 2.
A A
a Aa Aa
a Aa Aa
Het genotype van deze jonge dieren zijn allemaal onzuiver zwart (heterozygoot) aan de buitenkant zijn de zwart maar ze dragen wel de witte gen van de witte voedster.
Als we deze dieren onderling zouden verparen krijg je de volgende berekening:
A a
A AA Aa
a Aa aa
Het genotype is als volgt.
25 % homozygoot zwart (AA)
50% heterozygoot zwart (Aa)
25 % homozygoot wit ( aa)
Konijnen hebben gen eigenschappen waarvan we weten of ze dominant of recessief zijn bv zwart over wit, effen over albino, normaal haar over rex of angora haar etc
Hierdoor kunnen fokkers nieuwe rassen kweken, nieuwe kleuren kweken en nog voornamelijker hun ras verbeteren.
|