Verschil blauwoog en roodoog

Verschil van Leucisme en Albinisme bij konijnen.

Pigment of melanine  wordt aangemaakt door de pigmentcellen en zijn verpakt in kleine bolletjes, de melanosomen (pigmentkorrels). Als het pigment in de hoorncellen bevind is een huid zichtbaar.
Behalve in de huid hebben ook de haarfollikels, slijmvliezen, zenuwstelsel, ogen, oren en de hersenen pigmentcellen.
In het vroegst bij de ontwikkeling van een vrucht begint de aanleg voor het zenuwstelstel gevolg door primaire melanoblasten (moeder cel voor pigmentcellen) later verplaatsen deze naar de huid waar ze uitrijpen tot melanocyten die pigmentkorrels kunnen vormen en afgeven.
De melanocyten die nu voorkomen in de opperhuid gaan in de haarzakjes, er  worden pigmentkorrels afgegeven aan de cellen die het haar een bepaalde kleur geeft.
Het pigment wat de kleur geeft wordt melanine genoemd. Melanine ontstaan via een aantal tussenprodukten door middel van enzymen uit de grondstof " tyrosine”.  Het pigment melanine komt in twee chemische verschillende vormen voor.
 
Eumelanine verantwoordelijk voor de zwart en bruin.
Feomelanine verantwoordelijk voor geel en rood.
 
               Eumelanine                                          Feomelanine 
 
Haren hebben pigment omdat het lichaam het aminozuur tyrosine omzet in melanine. Een aminozuur is een organische verbinding van aminozuren ook wel een keten genoemd of een eiwit.
De keten van het Tyrosine eiwit wat nodig is voor de omzet van melanine is
R-CH(NH2)-COOH waarbij R=CH2-Ph-OH.
 
Het verschil tussen beide pigmentsoorten wordt genetisch bepaald. De werkzame genen zijn actief tussen de vorming van menoblast en pigmentkorrel. De haarkleur staat dus al vast voordat het haar gevormd is.
-Het albino-gen blokkeert de productie van tyrosine waardoor en geen melanine wordt gevormd.
-Een lichtere kleur ontstaat doordat de pigmentkorrel is veranderd van vorm, samenstelling of aantal.
-Een pigmentsoort kan vervangen worden door een andere pigmentsoort bv van de produktie van feomelanine ten koste van eumelanine.
-Verandering van vorm van de melanocyt kan leiden tot abnormale produktie van pigmentkorrels en kunnen kleurverschillen geven in de pels.
-Belemmerende invloeden bij het ontstaan, vermeerdering en/of verplaatsing van de melanoblasten ontstaat er een bontvorm omdat er witte vlekken ontstaan.
-Wanneer er op grotere plekken de melanoblasten niet goed kunnen ontwikkelen en elders wel ontstaat er een andere bontvorm.
-Ook de verspreiding van de melanoblasten vanuit bepaalde gebieden worden sommige huidgedeelte niet of te laat bereikt waardoor er witte benen en buik ontstaan.
-Storing in de rijping van de menoblast of melanocyt kan leiden tot ongekleurde of gedeeltelijk ongekleurde haren zoals bij grijs en roan.
 

Kleurgenen
 
Bij alle zoogdieren waaronder het konijn hebben hoofdkleurfactoren of genen die de kleur bepalen van de pels. Elke gen heeft een vaste plaats ook wel locus genoemd bij een individuele soort.
Een gen bevat een code voor een reeks aminozuren die samen een eiwit vormen.  Op een kleurloci of kleurgen kan een mutatie ontstaan. Een mutatie is een spontane verandering op het gen (eiwit of aminoreeks). Deze heeft dan andere kleureigenschappen dan het oorspronkelijke gen.
 
De hoofdkleurfactoren bij konijnen (of kleur genen) zijn:
A locus
B locus
C locus
D Locus
E locus
 
De oerkleur van een konijn is de wildkleur of konijngrijs met de kleurlocussen ABCDE.  Enige verandering in een gen (opbouw van de eiwit) kan een kleurverandering geven zowel alleen op het genotype als ook op het fenotype. Afhankelijk van het gen van moeder en het gen van vader wat samen een chromosoom vormt bepaald het uiteindelijke genetisch type per individueel konijn.
Een chromosoom bestaat uit een gen van moeder en een gen van vader. Omdat elke ouder een ander gen kan hebben voor een bepaalde eigenschap bepaald de combinatie dus de kleur en de dragerschap van een kind. Een raszuiver konijn in de kleur konijngrijs heeft dus AABBCCDDEE.
Boven staat beschreven dat kleurgenen actief zijn tussen de productie van menoblast en pigment. Elke kleurgen of locus A,B,C,D en E beïnvloed de uiteindelijke pigment vorming.
 

Albinisme
 
De C locus wordt ook de albino reeks genoemd bepaald de kleuruiting.
Een dominant albino gen of grote C maakt dat een dier gekleurd is. De kleur die men ziet is afhankelijk van de overige kleurgenen of locus. Dieren die homozygoot recessief zijn voor de C locus dus 2 maal een recessieve c (cc) van beide ouders een c-gen, hebben geen kleur en zijn albino of kleurloos. Er wordt geen melanine gemaakt.
Anders dan bij Leucisme zijn de kleurgenen wel aangekomen in de haarfollikel maar de kleur komt niet tot uiting omdat het dubbele recessieve c-gen de aanmaak van de kleurstof niet kan maken omdat door een genetisch defect op de C locus  het eiwit tyrosine niet wordt gemaakt wat nodig is voor de productie van melanine.
Een albino konijn heeft wel een kleurencode maar komt niet tot uiting.
Op de C-locus zijn verschillende mutaties ontstaan wat verschillende uitingen heeft op de zichtbare pelskleur. Dit is weer afhankelijk van de overige hoofdkleuren wat de uiteindelijke tekening of kleur zal zijn.
In het kort, chinchilla, rustekening en marter want we beperken ons tot albinsme en leucisme.
 
Oogkleur Albino
De ogen en bloed zijn gekleurd in rood omdat deze kleurstof bestaat uit het eiwit (kleurstof) Hemoglobine en niet uit melanine zoals bij een oa haar.
Het pigment melanine is door het albinisme volledig onderdrukt waardoor de rode kleur van het hemoglobine zichtbaar is.
 
 
Problemen die bekend zijn bij albinisme zijn bij zoogdieren
Oogklachten zoals verminderde scherpte, blindheid, onderontwikkelde gele vlek, willekeurige oogbewegingen, lichtdoorlatende iris, lui oog, scheelzien, afkeer voor licht en pijn bij fel licht ( weven is bekend bij konijnen verdere grove oogproblemen zijn niet bekend bij konijnen)
Sneller verbranden (enkel mogelijk op de neus en oorranden)
Verhoogde kans op huidkanker (verwaarloosbaar bij pelsdieren)
Kanker in het oog.
Ruwe wratten en korstige plekken op de huid tengevolge van de zon (konijn heeft een pels en beschermt de huid tegen de zon)
Weinig overlevingskans in het wild.

Leucisme
 
In de vroegste ontwikkeling van de vrucht wordt eerst de neurale lijst gemaakt.  Dit is de voorloper van de ruggengraat en de zenuwbanen. Vanuit deze voorstadia van de ruggengraat migreren de huidcellen en de melanoblasten. Bij leucisme ligt de oorzaak soms in de neurale lijst dus in de migratie van de melanoblasten of in de huid zelf. Dit heeft als gevolg dat in de huid en de haarwortel de melanocyten bijna volledig ontbreken en er geen pigment wordt gemaakt en de pels ongekleurd blijft.
 

Leucisme komt alleen tot uiting als een nakommeling van beide ouders het gen mee heeft gekregen en zelf in een homozygote vorm draagt.
Een partiële leucisme dus in een heterozygote vorm geeft een verminderde pigmentatie op delen van het lichaam wat witte vlekken of bonttekening geeft.
 
Oogkleur bij leucisme
De pigmentcellen in het oog kunnen we onderscheiden in twee producties.
-Pigmentcellen ( huidpigment) van het vaatvlies en het irisstoma (de voorkant van de iris) zijn gekomen via die neurale lijst.
-De pigmentcellen van het epitheel en de achterblad van het iris vinden hun oorsprong in de rand van de optische beker.
(De optische beker of steel heeft een holle binnenruimte die op den duur worden opgevuld door de gezichtszenuwen.
Het pigment epitheel zorgt voor een goede werking van de kegeltjes en staafjes en zorgen voor een goede doorbloeding van het netvlies.
 
Het verschil tussen beide is dat oog melanocyten het pigment vasthouden in hun cytoplasma en niet afzetten. Het huidpigment in het vaatvlies doen dit wel.
De oogkleur bij een leucistisch konijn wordt dus gevormd door de pigmentcellen van het epitheel en de achterblad van het iris (achterkant oog) en niet zoals bij gekleurde dieren door de pigmentcellen van het vaatvlies en het irisstoma (voorkant oog)
In het kort, de voorkant van de iris in het oog heeft bij leucisme heeft geen pigment. Het licht dat in het oog valt wordt gebroken door de halfdoorschijnende iris waardoor het oog blauw is.
 
 
Problemen die bekend zijn bij Leucisme
 
Idiopatische epilepsie. Onbekend is of de epilepsie gekoppeld is aan het leucistische gen, of dat het gendefect van het leucisme ook het zenuwstelsel beïnvloed (zie neurale lijst) of dat het een gevolg is van slechte lijnenteelt en selectie.
Agressie is net als epilepsie omschreven en kan de zelfde oorzaken hebben.

Conclusie
 
Het verschil van albinsme en leucisme is dat:
Het albino-gen blokkeert de productie van tyrosine waardoor en geen melanine wordt gevormd.  Er zijn wel melanocyten maar de productie of transport van de melanine is verstoord.
Bij Leucisme is bij het onstaan van de ruggegraat (neurale lijst) een defect opgetreden waardoor de melanoblasten (pigmentcellen) nooit zijn aangekomen in de huid en daarmee haarfollikel.

 

De tekst is niet geschreven door een veterinaire deskundige. Op de tekst is copyright van toepassing. T. Dibbits RRSV Club (C)

Bronnen: bourkes-parakeet.nl hoenders.brinkster.net home.versatel.nl/onsman1 www.vcbio.science.ru.nl www.agapornis.info oogziekenhuisrotterdam www.jkwiersema.nl/H35.pdf The Vienna Gene, wikipedia ea.