Lijnenteelt
Lijnenteelt, onze visie.
?xml:namespace>
Wat we zien aan een dier is het fenotype, het waarneembaar uiterlijk. Wat het dier genetisch draagt is het genotype, de erfelijke eigenschappen voor een bepaald gen.
?xml:namespace>
Om goede of gewenste eigenschappen vast te leggen is terug kruisen of testkruisingen belangrijk om te achterhalen of het waarneembaar uiterlijk (fenotype) genetisch zuiver was.
Hierdoor kun je achterhalen of het dier raszuiver was voor een eigenschap (genotype)
Het is een streven van een fokker om de stam op zo’n hoog mogelijk niveau te brengen in gezondheid, beweging, type/bouw, kleur, gedrag etc.
Dit kan enkel als bekend is welke eigenschappen een dier draagt. Een dier kan nog zo knap zijn (fenotype), in de fokkerij kan hij slecht presteren als het niet zuiver is voor wat ons oog waarneemt.
Een kudde of koppel , dat geheel onverwant zijn is een genetische roulette. Je weet van alle dieren hoe ze eruit zien maar niet wat ze doorgeven. Een gedeelte weet je, dat is te zien maar veel is verborgen in de genen van het lichaam. Dit noemen we panmixie of toevalsparingen.
De fokwaarde van dier geeft aan dat je weet wat de positieve eigenschappen zijn die hij aan alle nakomelingen doorgeeft. Op basis hiervan selecteerd de fokker. Simpel gezegd je fokt bvb met dieren met een juist onderstel en niet met kromme benen! Voor een goede fok is gedegen kennis nodig om eigenschappen vast te leggen. Dat kun je op 2 manieren doen:
1) Gen onderzoek van een eigenschap om zo de juiste koppeling te maken tussen twee ouder dieren. Dat is niet te doen, er zijn zoveel genen dat het onderzoek, als we al alle plaatsen weten van een bepaalde eigenschap, lang duurt en onbetaalbaar is en 2 ouderdieren nooit voor alles de gewenste match is.
2) Schatten wat het effect zal zijn bij het kruisen van twee ouderdieren. Hiermee kan alleen voor 100% zekerheid worden gegeven of de nakomelingen de gewenste eigenschap zuiver heeft als er meerdere nakomelingen zijn die in de zelfde omstandigheden zijn opgegroeid. Bij de pony’s kun je schatten wat het effect zou kunnen zijn op het fenotype door de afstammelingen en van het ouderdier en de voorouders. Dit is redelijk goed in kaart gebracht door het stamboompapier en bijgehouden gegevens door het stamboek, eigen kennis e.d.
3) Proefkruisingen, als men een ouder dier heeft met een gewenste eigenschap en ook bij een nakomeling dan moet men het zelfde ouderdier kruisen met een ander dier die niet de gewenste eigenschap heeft dan het kind. Heeft dit andere kind de zelfde gewenste eigenschap als de moeder en groeit op in de zelfde omstandigheden dan weet je dat het ouderdier raszuiver is voor die eigenschap (genotype is gelijk aan fenotype). Op deze manier kan je dus fokken en selecteren. Met het terug kruisen komt naar voren of een ouderdier zuiver of onzuiver is voor een bepaald gen. Hiermee kun je dragers opsporen of verklikken.
4) Inteelt, paring van 2 ouderdieren die genetisch verwant zijn. Heeft effect op alle genen en niet alleen op zichtbare kenmerken, fenotype. Inteelt heeft als gevolg dat identieke allelen kunnen samen komen in zuivere (homozygote) vorm bij het kind. Dit afhankelijk van de zuiverheid van de ouders en de graad van verwantschap. Het inteeltcoëficient is een maat of een voorspelling hoe groot de kans is dat 2 allelen identiek zijn. Met lijnenteelt fixeer of leg je bepaalde eigenschappen vast. Inteelt kan ook nadelig zijn.
Niet alleen de gewenste eigenschappen kunnen worden vastgelegd maar ook niet gewenste of verborgen eigenschappen. Daarnaast neemt de kans op een mutatie op een allel toe. Bij een broer en zus combinatie, 26%. Nadelige gevolgen als men te veel generaties achtereen inteelt toepast is er kans op onvruchtbaarheid, problemen met vitaliteit en weerstand, hogere sterfte (inteeltdepressie) Inteelt is niet het zelfde als lijnenteelt!
Lijnenteelt:
Lijnenteelt is het inkruisen van dieren met een gemeenschappelijk familielid. Dit kan een direct familielid zijn zoals een ouder of een kind (direct verwantschap/bloedaandeel of verticale verwantschap) Een collaterale verwantschap of horizontale verwantschap is een bvb een kruising tussen neef en nicht. Verwantschapsgraad wordt bepaald door de onderlinge plaats van gemeenschappelijke familieleden. Directe verwantschap is altijd een ouder of broer/zus (geen lijnenteelt) Hoe verder de voorouder in de stamboom hoe minder de verwantschap is.
Na ons idee hoor je dus geen inteeltcoëfficiënt te gebruiken maar verwantschapscoëfficiënt.
Met een verwantschapscoëfficiënt maak je een schatting wat je kan verwachten hoeveel allelen identiek zijn.
Verwantschapsgraad
1e graad 50%: Kind met ouder, broers/zus.
2e graad 25%: Half broer en zus, grootouder en kleinkind, dubbele1e graads neef/nicht maal oom/tante.
3e graads 12,5%: Overgrootouder maal achter kleinkind, enkelvoudige 1e graadsneven/nichten.
Lijnenteelt is in onze visie het weloverwogen terugkruisen met voorkeur naar een voorouder van de 3e 4e of 5e etc generatie. Deze ouder kan dan zowel in de moederlijn als in de vaderlijn voorkomen of beide. Komt de voorouder in beide ouderlijnen voor hoe hoger het verwantschap. Voorkeur heeft ook om twee lijnen te kruisen die vreemd zijn van elkaar maar verwantschap is in beide families. De kruising van 2 lijnen met verwantschap (heterosis) verhoogd de vitaliteit, vruchtbaarheid en weerstand. Het is niet raadzaam om te dicht in de bloedlijn te fokken of in beide lijnen met de zelfde bloedverwanten in de 1e 2e en 3e graad.
Lijnenteelt is een makkelijke en veilige manier (mits goed toegepast) om gewenste eigenschappen vast te leggen en de stam en ras te verbeteren.
Voordeel van lijnenteelt, zeker bij de pony’s is dat de fokker goed in kan schatten wat het effect is van het kruisen van 2 ouder dieren. Door de lijnenteelt is duidelijk geworden voor welke eigenschappen een ouderdier zuiver is. De vernieuwing bij het stamboek heeft naar ons inziens het gevolg dat de fokker gedwongen wordt om op fenotype een ouderdier te selecteren (hengstkeuze) Hiermee wordt de verscheidenheid en onzuiverheid vergroot. Met het kruisen van verwanten kan je goede en slechte eigenschappen vastleggen of aan het licht brengen. Komt een ongewenste eigenschap naar voren (wat we zien) dan weet je dat beide ouderdieren drager zijn. Deze wetenschap is gunstig omdat je dan of kan uitselecteren of een lijn kan uitsluiten voor een combinatie. Fenotype, wat we zien wordt veroorzaakt door de genen (genotype) en de omstandigheden waarin een nakomeling opgroeit.
Wij selecteren liever op zuiverheid voor een gewenste eigenschap dan op fenotype. De "goeie” dieren die nu op fenotype met een laag inteeltcoëfficiënt worden goedgekeurd zegt niets over de fokwaarde van het dier. Een verwantloos dier is een toevalsproduct en al gokkend fokken. Een zuiverdier gefokt uit een lijn met verwantschap geeft geen garantie voor een nakomeling die identiek is aan dat ouderdier maar geeft wel een hogere kans op een dier met de juiste eigenschap. Bij een hengst uit een goede standvastige lijn in combinatie met een merrie die onverwant is geeft alsnog een onzuiver dier en wederom een toevalsproduct. Bij de kleindieren weten wel al dat het inbrengen van vers bloed opnieuw een terug gang kan geven in de nakomelingen. Dit omdat het nieuwe dier genetische eigenschappen kan hebben die bij kruising eruit kunnen komen. Dit "vers” bloed is natuurlijk wel nodig om de verwantschap in binnen de perken te houden.
?xml:namespace>?xml:namespace> ?xml:namespace> ?xml:namespace>
|